Gepubliceerd op 19-01-2021

Afghanistan

betekenis & definitie

emiraat in Midden-Azië, door de bewoners Oerlajat, en ook wel, naar den hoofdstaat Kaboel, Kaboelistan genoemd; ten noorden begrensd door Russisch Turkestan, ten oosten door het Engelsch-Indisch gebied, ten zuiden door Beloedsjistan en ten westen door de Perzische hooglanden van Khorassan, z'ch uitstrekkende van 28° 45' tot 37° 45' N.B. en van 60° 55' tot 74° 45' O.L.; zijn grootste lengte bedraagt oingev. 450 Eng. mijlen, zijn grootste breedte 470 idem; oppervl. 550.000 km.2, bevolking 5 millioen zielen. Afghanistan is een emiraat; de emir, thans, Maart 1900, Abd-ur-Rahman (zie ald.), sedert 22 Juli 1880, heeft onbegrensde macht; raadgevend wordt hij terzijde gestaan door een eersten minister, een opperrechter en een opperbevelhebber der troepen; de provinciën worden elk bestuurd door een provincialen gouverneur.

Hoofdstad Kaboel.Bergen en Rivieren

In het noordoosten verbindt het Alpengebied van de Hindoe-Koetsjketen de hooglanden van Oost- met die van West-Azië; deze bergketen behoort tot het Himalaya-stelsel; verscheidene punten ervan verheffen zich tot de hoogte der eeuwige sneeuw; de berg Koh-i-Baba, gelegen tusschen Kaboel en Bamian, bereikt een hoogte van 6000 meter. In het oosten, zuidelijk van de Hindoe-Koetsj-keten scheiden de evenwijdig loopende ketens van het Soliman-gebergte, en die van Kalabagh en Khijber het hoogland zonder overgang van de vlakten van Punjab en van den Beneden-Indus; slechts twee bergpassen leiden van Afghanistan uit naar den Indus; in het noorden de pas gevormd door de vallei van de Kaboel-rivier; deze pas heeft sterke verdedigingsstellingen bij Jelalabad en Peshawur, niet ver van den Khijberpas; in het zuiden van Afghanistan vormt de Bolan-pas een verkeersweg met Sind, de meest westelijke provincie van het presidentschap Bombay (Engelsch-Indië); het warnet van de Hazareh- en Eimack-ketens, door de Grieken het Paropamisus genoemd, is nog weinig onderzocht geworden. De terrassen van Kaboel en Ghiznee dalen geleidelijk naar het zuidwesten. De hoofdrivier van Afghanistan is de Kaboel, ontspringende op de zuidelijke hellingen van den Hindoe-Koetsj of Indischen Caucasus, 8400 voet boven het vlak der zee; een oostelijke loop van 300 kilometer met een valling van 7500 voet, langs de steden Kaboel, Jelalabad en Dobundee, brengt haar door Noord-Afghanistan, door de Khijberbergketen in den Indus, die na opneming van dezen watervoorraad bevaarbaar wordt, op een afstand van omstreeks 800 mijlen van den Indischen Oceaan; de Kaboel is ongeveer 80 mijlen boven haar uitmonding bevaarbaar; voorts de rivier Kachgar of Kameh, die na een loop van 400 K.M. haar wateren in de Kaboel stort (linkeroever); de Helmend, bij de Ouden de Etymander, die zich na een loop van 1120 K.M. in het meer Zerrch werpt, dat 150 K.M. lang en 50 breed is.

Verdeeling

Afghanistan is verdeeld onder verschillende stammen die allen onder een shah staan. Het. wordt gesplitst in Khanaten, die elk weder in provinciën of districten verdeeld zijn. Ie het Khanaat Kaboel, verdeeld in de provinciën Kaboel, Djelal-Abad, Ghagni, Loghmon en Bamian;

a) Kaboel; deze provincie schijnt een lengte van 180 km. te hebben van noord tot zuid, en van 800 km. van oost naar west; de hoofdstad is Kaboel (zie dit onderwerp) aan de rivier Kaboel, aan welke zij haar naam ontleent, voorts de steden Logar en Safaëd-Koeh;
b) Djelal-Abad, gelegen tusschen de provincie Kaboel, het Khijber- en het Solimangebergte; de voornaamste stad is Djelal-Abad, 20 mijlen oostelijk van de stad Kaboel;
c) Ghagni, bergachtige streek, door Ghildsjis bewoond; hoofdstad Ghiznie of Ghizneh, 20 mijlen zuidelijk van de stad Kaboel en een der koudste punten van Azië wegens haar hooge ligging; voorts Djagdalak;
d) Loghmon, begrensd door de provinciën Kaboel en Djelal-Abad, vrij dicht bevolkt; hoofdstad Dir; voorts Bajour;
e) Bamian, het meest noordelijke district van het Khanaat Kaboel, het minst vruchtbare, met een ruw klimaat; hoofdstad Bamian, met tallooze ruïnen en gelegen 14 mijlen westelijk van de stad Kaboel.
2) Het Khanaat Kandahar, ten noorden begrensd door Beloedsjistan en ten zuiden door Voor-Indië, telt de districten Kandahar, Ghermsir, Khoentsji en Khoraboek en is gedeeltelijk bergachtig, gedeeltelijk ingenomen door woestijnvlakten;
a. Kandahar, heeft de stad van denzelfden naam tot hoofdstad; voorts Meïmoet en Oerghessan (zie aldaar) ;
b) Ghermsir, niet te verwarren met het district van denzelfden naam ongeveer in de Perzische provincie Kerman, strekt zich uit langs den zuidelijken oever der Helmend en wordt ten noorden begrensd door heuvelruggen; langs de Helmend vindt men een aantal dorpen door Alekosies bewoond;
c) Khoentsji is een klein district, aan Ghermsir gelijk; het bevat een dorp van denzelfden naam;
d) Khoraboek, een landstreek, gelegen ten westen van het gebergte Khodja-Amram, maakt een droge vlakte uit, slechts door de Lora bevochtigd, en bewoond door nomadentroepen van den stam der Barietsjiers, ten getale van 3 à 4000 familiën.
3) Het rijk of Khanaat Herat, in het noordwesten van Afghanistan, doorsneden door het Hindoe-Koetsj-gebergte, wordt gevormd door de provinciën Herat, Siahband en Eerrah;
a) Herat grenst ten noorden en ten westen aan Perzië, de hoofdstad is Herat (zie aldaar), voorts een stadje onder verschillende namen als Gour, Jaughowie en Choegehiran bekend;
b) Siahband, een landstreek, zonder eenige belangrijke stad, behalve de hoofdstad, mede Siahband genaamd; Bihboud-Khan, Gour-Akan, gelegen aan den weg van Herat naar Kaboel, en Koeroem-Khan zijn weinig beteekenende dorpen;
c) Ferrah, met de groote ommuurde hoofdstad van denzelfden naam, halverwege tussehen Herat en Kandahar, heeft verder weinig belangrijks.
4) Het Khanaat Sedjestan of Sistan is gelegen ten zuiden van Kaboel, ten noorden van Beloedsjistan en ten westen van Perzië, en telt de steden Doesjak, hoofdstad, 45 mijlen teit zuiden van Herat), Koeloemoet, Rodbar en. Illoemdar.

Klimaat, natuurvoortbrengselen, enz

Het klimaat is over het algemeen een landklimaat;; groote verscheidenheid in de hoogte van den bodem en ongelijke verdeeling van bevochtiging maken het evenwel zeer afwisselend over betrekkelijk geringe uitgestrektheden; in de zandige woestijnen bloeit de dadelpalm (in het zuidwesten); in de diepe schaduwrijke valleien van het oostelijk gedeelte slagen katoenbouw en suikercultuur; de hooge terrassen van Kaboel en Ghagni (8 tot 9000 voet boven zee-peil) zijn blootgesteld aan zeer strenge winters met enormen sneeuwval, terwijl de zomerhitte er de fijnste druifsoorten. rijpstooft; uitgestrekte korenvelden worden hier tevens aangetroffen; abrikozen, pruimen,, appelen, peren en kersen komen hier tot rijpheid; rabarber, reukwerkstruiken, tabak en. asafoetida worden op groote schaal geteeld; in de waterrijke valleien bloeit de sinaasappel te midden van al den weelderigen plantengroei van Indië; in de dalen van de HindoeKoetsjketen wordt bijzondere zorg besteed aan den moerbezieboom; deze vruchtboom is daar inheemsch in allerlei verscheidenheden en de producten ervan worden tot voedsel bereid in verschillenden vorm. Met dezen plantenrijkdom houdt het dierenrijk gelijken tred; in de koudere bergstreken leven de wolf, de beer en de vos, in de bijna tropische valleien de leeuw, de tijger, de luipaard, de jakhals en de hyena; in de ontgonnen en bebouwde vruchtbaarder deelen tieren schapen, geiten,, paarden, rundvee, muilezels en ezels; kameelen worden veelvuldig gebruikt. Aan mineralen is Afghanistan niet minder rijk; vooral ijzer en koper worden in groote hoeveelheid gevonden, het eerste van zulk een deugdzame hoedanigheid, dat het bij betere behandeling zou kunnen wedijveren met de best bekende soorten; lood, salpeter, zwavel, zout en aluin worden in overvloed verkregen; de vier grootste steden, Kaboel, Ghiznee, Kandahar en Herat zijn belangrijke stations op de baan van het handelsvertier van Indië met Oentraalen West-Azië.

Bevolking, zeden, gebruiken, taal, godsdienst enz

Evenals Afghanistan rijk is aan verscheidenheid wat klimaat en natuurvoortbrengselen aangaat, kan het wijzen op een groote verscheidenheid van bevolking, die gezamenlijk 5 a 6 millioen zielen bedraagt. Grootendeels echter zijn het Afghanen; deze noemen zichzelve Foeschtanehs; de oorsprong van dit volk is onbekend; volgens Burnes noemen zij zichzelven gaarne ook Beni-Israël (kinderen Israëls), terwijl zij voorgeven af te stammen van de door Nebukadnezar weggevoerde bewoners van het Joodsche land; tot de 9de eeuw zouden zij de Mozaïsche wetten trouw gebleven zijn en toen langzamerhand zijn overgegaan tot den Mohammedaanschen godsdienst; in hunne zeden schijnen nog werkelijk Joodsche gebruiken te onderkennen; niettegenstaande zij deze verwantschap met de Joden, voorgeven en menige trek voor de waarheid daarvan pleit, hebben zij vele en diepgewortelde vooroordeelen tegen de Joden. Overigens zijn de Afghanen krachtig gebouwd, dapper, wreed, weerbarstig en bezield met een innigen afkeer voor de beschaving; zij hebben een krachtigen hartstocht voor onafhankelijkheid en algemeene gelijkheid, zijn zeer gehecht aan oude gebruiken en zeden en uitermate gastvrij; veelwijverij is alleen in zwang bij degenen die bezittingen hebben. Hun taal, het Paschtoesch, schijnt na verwant te zijn aan het Perzisch; het bevat in elk geval een menigte Perzische woorden; deze taal gebruiken de dichters; de wat men zou kunnen noemen beschaafde standen in de steden verstaan Perzisch; hun godsdienst is de Mohammedaansche, naar de opvatting der Sunnieten; onder de oosterlingen staan zij op een hoogen trap wat betreft waarheidsliefde, eerbiediging der vrouw en van den ouderdom, en onverschilligheid voor rangonderscheid. Zij zijn weinig godsdienstig, doch zeer bijgeloovig.

Behalve door de Afghanen wordt het land nog bewoond door Kafirs, Boecharen, Oesbeken, Turkomanen, Joden en Armeniërs.

Geschiedenis.

De Afghanen waren van het begin der 12de eeuw tot de laatste helft der 16de eeuw het heerschende volk in Indië; omstreeks 1584 waren zij nog in het bezit van Bengalen; in 1722 overwonnen zij Perzië, en in 1747 bevrijdde Ahmed-Khan zijn land van Perzischen invloed en stichtte de Douranydynastie; hij regeerde tot 1773; toen zijn zoon Timur in 1793 overleed, ontstond er twist tusschen de broeders Zemaun, Mahmoet en Shah Sujah, die ten gunste van Mahmoet eindigde, die evenwel in 1823 gedwongen was tot afstand; hij stierf in 1829; het land viel bij Mahmoets abdicatie in handen van drie broeders, waarvan de oudste, Dost Mohamed, te Kaboel regeerde, waar hij ben leger van 18000 man onder de wapens hield. In 1838 verklaarde de toenmalige gouverneurgeneraal van Engelsch-Indië, Lord Auckland, Afghanistan den oorlog, omdat Dost Mohamet onwettig een Britsch bondgenoot, Runjeet Singh, had aangevallen, waarin een vijandelijke bedoeling tegen Engelsch-Indië dóórschemerde en verder omdat de rechtmatige troonopvolger, Shah Sujah, zich onder Britsche bescherming had gesteld; de Britsche troepen drongen door den Bolanpas Afghanistan binnen tot aan Kandahar, waarop Shah Sujah formeel het land in bezit nam; het Engelsehe leger maakte zich vervolgens meester van Ghiznee, en een maand later, 7 Aug. 1839, kwam Shah Sujtah met de Britsche troepen te Kaboel; ofschoon het land hiermede veroverd was, was het in geenen deele nog overwonnen; wel had Dost Mohamet de wapens neergelegd, maar zijn- zoon, Akbar-Khan smeedde een uitgebreid komplot, hetwelk niet voor het te laat was, werd ontdekt; een opstand brak uit in Kaboel, midden in den winter, zoodat hulp uit Indië niet kon verwacht worden; Alexander Burnus, Macnaghten en verscheidene andere Britsche officieren werden om het leven gebracht; Akbar-Khan sloot met de overgebleven officieren een verdrag, hetwelk den Engelschen lijfsbehoud verzekerde op voorwaarde van onverwijld vertrek uit Afghanistan, onder vrijgeleide; dit verdrag werd door majoor Pottinger aanvaard; op de Afghaansche trouw staat makende, verlieten de Britsche troepen 6 Jan. 1842 Kaboel om door den Khijber-pas naar Indië terug te koeren; de Afghanen bleven echter in gebrek3 vrijgeleide en provisie te verstrekken; het ongunstig seizoen vermeerderde da ellenden van den terugtocht; fanatieke troepen uit de afgelegen districten bestookten onophoudelijk de flanken van het leger; volgens opgaven van Engelsche zijde ontkwam van een leger van 16000 man troepen en 10000 vrouwen en kinderen slechts één man (Dr. Brydon) naar Indië, om de jobstijding van de geleden verliezen over te brengen; bijna tegen eigen inzicht in zond de nieuwe gouverneur-generaal, lord Ellenborough andermaal troepen naar Afghanistan. Een deel onder generaal Nott marcheerde van Kandahar naar Ghiznee, hetwelk na een korten strijd hernomen werd, waarop hij met zijn leger vertrok om zich te vereenigen met het leger van generaal Pollock, dat door den Khijber-pas naar Kaboel was opgemarcheerd; hier werd alsnu Akbar-Khan geheel verslagen, zijn leger verstrooid, en de stad Kaboel ontruimd. Spoedig hierop vertrokken de Britsche troepen naar Indië, naardien men geloofde dat de Afghanen niet meer in staat waren iets van belang tegen het Britsche gouvernement te ondernemen, welke meëning reeds in 1846 werd gelogenstraft, toen zij met de Sikhs een alliantie tegen de Britten tot stand brachten, hetgeen opstanden in Punjab tengevolge had, die eerst in 1849 met den beslissenden slag van Gujaret ten gunste van Engeland eindigden; Dost Mohamet en zijn zoon AkbarKhan vluchtten over den Indus met 16000 man troepen; in 1855 sloot Engeland een verbond met hem, waarop hij het volgend jaar een oorlog aanving met Perzië; Herat werd ingenomen, doch in 1875 teruggegeven aan de Baraksi-dynastie, die thans als wettig koninklijk huis door het grootste deel van Afghanistan erkend werd. Een reeks van binnenlandsche oorlogen volgden elkaar op, die omstreeks 1871 door Emgelands bemiddeling eindigden; in 1878 werd Schir-Ali door Engelsehe bemiddeling van den troon gestooten, daar deze op te vriendschappelijken voet stond met Rusland; Engeland hielp diens zoon, Jakoeb-Khan, aan de regeering, die dezen dienst beloonde met het doen vermoorden van het Engelsehe gezantschap te Kaboel, 3Sept. 1879; Engeland bezette Kaboel en verklaarde zich vóór den troonpretendent Abd-ur-Rahman, waardoor Ejoeb-Khan, zoon van Schir-Ali, zich verongelijkt achtte en een opstand begon; da Engelsehe troepen werden eerst (27 Juli 1880) onder generaal Burrows tot den terugtocht gedwongen, doch bij Kandahar werden de opstandelingen door generaal Roberts (3 Sept. 1880) geheel en al verslagen.

In 1881 trok Engeland zijn troepen uit Afghanistan terug, Intussehen maakte Rusland vorderingen in het Afghaansche hoogland en hield verscheidene streken bezet, als Merwe, Vol-Otan, Saraks, enz. Een vergelijk in zake de Afghaansche kwestie kwam in zooverre tusschen Engeland en Rusland tot stand, dat besloten werd tot het benoemen van een gemengde commissie (1884), om tot een bevredigende oplossing te komen; weldra bleek echter dat Ruslands hoofddoel was tijd te winnen, en intusschen een steeds grootere troepenmacht bijeen te trekken; in April 1885, staande de onderhandelingen, viel Rusland de stellingen der Afghaansche krijgsmacht, aan de Koesch, aan, nam deze, en vestigde te Pendsjeh een voorloopig bestuur over het door den emir onder Engelschen invloed teruggevorderde grensgebied; een oogenblik scheen toen een oorlog tussehen Rusland en Engeland onvermijdelijk; deze werd echter door Duitschlands bemiddeling voorkomen; een voorloopige schikking werd getroffen, en 22 Juli 1887 werd te St. Petersburg het russo-afghaansche grensprotocol onderteekend, waarmee men het geschil als definitief opgelost kon beschouwen, hetgeen niet wegneemt dat deze kwestie herhaaldelijk weder te berde dreigt te zullen worden gebracht, daar de oplossing geen der beide mogendheden voldoet. Afghanistan zelf kwam ook door deze bijlegging inwendig niet tot rust; in 1888, 1889 enz. braken opstanden uit, die het geheele land in onrust brachten.

Wat Engeland betreft was zijn invloed wel door den met Engelsch geld gesteunden emir officieel bevestigd, doch hij was in werkelijkheid van weinig beteekenis, hetgeen met vreeselijke duidelijkheid uitkwam in den Moedigen opstand der Afridi, in 1897.