Gepubliceerd op 19-01-2021

Aantrekkingskracht

betekenis & definitie

de kracht, waardoor alle stoffelijke lichamen elkander onophoudelijk zoeken te naderen. De A. is een vermogen, dat eigen is aan alle stoffelijke lichamen, een grondkracht der natuur; ieder stofdeeltje, vast, vloeibaar of dampvormig, trekt aan en wordt aangetrokken; waar geen beletsels zijn, hoopen de stofdeeltjes zich opeen en vereenigen zich tot massa’s.

De A. zetelt in de stof, in ieder deeltje, ook het kleinste. Door haar vereenigen zich de stofdeeltjes, hechten zich aaneen en vormen massa’s, die, wanneer andere krachten dit niet verhinderen, de gedaante aannemen van een bol, die dan weer als een geheel aantrekkend werkt, en wel zoo, alsof alle stof in het middelpunt is opgehoopt; een holle bol oefent geen aantrekkende kracht uit op een daarin geplaatst lichaam, maar te zamen werken zij aantrekkend op andere lichamen. Door de A. zijn, naar men aanneemt, uit de stofdeeltjes, die aanvankelijk de ruimte vulde, de hemellichamen en ook ons zonnestelsel ontstaan. Waarom niet alle stofdeeltjes zich tot één groot lichaam hebben vereenigd, of vereenigd zijn gebleven, is niet bekend; er moet een tweede kracht hebben gewenkt, die zulks heeft verhinderd. De A. treedt op in verschillende vormen, n.l. zwaartekracht (de aantrekkende kracht door de aarde uitgeoefend op alle lichamen, waardoor deze een neiging vertonnen om in verticale richting tot de aarde te naderen, zie Val), verder als adhaesie, als cohaesie, als moleculaire krachten, magnetisme, affiniteit of chemische verwantschap (de aantrekking tusschen ongelijksoortige stoffen). Adhaesie: zie ald.

Cohaesie, cohesie, kracht van samenhang, is de A., die de stofdeeltjes, welke zich hebben vereenigd tot een lichaam, bijeen houdt, en hen weerstand doet bieden tegen verdeeling; is deze weerstand groot, zoodat een aanmerkelijke krachtsinspanning vereischt wordt om de moleculen van elkander te scheiden of onderling van plaats te doen veranderen, dan noemt men het lichaam vast; laten de deeltjes zich zeer gemakkelijk scheiden of over elkander heenschuiven en neemt de geheele massa dadelijk den vorm aan van het lichaam, dat haar besloten houdt, dan zegt men dat de stof vloeibaar is; zulke stoffen lieetem vloeistoffen; is de cohaesie zoo gering, dat zij niet meer merkbaar is en opgeheven schijnt te zijn, zoodat zoowel volumen als gedaante der stof afhankelijk zijn van de ruimte, waarin de stof zich bevindt, dan noemt men de stof lucht- of gasvormig; deze drie toestanden, waarin de lichamen zich naar den graad hunner cohaesie kunnen voordoen, noemt men agregaattoestanden. De cohaesie verandert door temperatuursverandering. De cohaesie is ook aan allerlei andere oorzaken dan de A. toegeschreven. Over de electr. aantrekking en afstooting, zie Electriciteit.Reeds de wijsgeer Democritus, evenals Epicurus, nam de onderstelling aan, dat alle lichamen naar een middelpunt streven, zoowel op aarde als in het heelal. Keppler geloofde aan een onderlinge aantrekking tusschen de hemellichamen; Galileï, die ook de wet op den vrijen val vond, benevens Bacon en Hooke erkenden het bestaan eener kracht, die alle hemellichten tot elkaar trekt. En ten slotte vond Isaac Newton de wetten dezer tot nog toe slechts veronderstelde kracht, en bracht ze onder de volgende formule: Twee lichamen trekken elkander aan met een kracht, die evenredig is aan de massa en omgekeerd evenredig aan de vierkanten hunner afstanden. Hij kon er evenwel niet toe besluiten dit onvoorwaardelijk te erkennen als onomstootelijk bewezen, maar verklaart bescheiden: „dat de beweging der planeten juist zóó geschiedt, alsof de lichamen elkander volgens de omschreven wet aantrekken.”