Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Zot

betekenis & definitie

Het begrip zot heeft 2 verschillende betekenissen:

1. zot - ZOT - 1. ZOT, bn. bw. (-ter -st), dwaas, gek: men moet wel zot zijn om zoo iets te doen;
onverstandig, dom: zot praten, handelen.

2. zot - ZOT, m. (-ten), dwaas: iem. voor den zot houden, met hem gekscheren;
— hansworst: hij speelt voor zot; elke zot heeft zijn marot, elke gek heeft zijn gebrek, elk heeft zijn stokpaardje. ZOTJE o. (-s), kleine zot.