Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

2018-12-06

ZOLDER

betekenis & definitie

ZOLDER, m. (-s), eene der bovenverdiepingen van een gebouw die veelal tot bergplaats of bewaarplaats dient: ouden rommel zet men op zolder;

— bovengedeelte, dekking eener kamer: de zolder dezer kamer is geschilderd;
— houten verhevenheid tot verhooging van den grond;
— (gew.) papieren zolder, laag, drassig land waarin het vee met de pooten als het ware doorzakt. ZOLDERTJE, o. (-s), kleine zolder;
— (gew.) papieren zoldertje loopen, over dun ijs dat onder de voeten wegbuigt, zoo loopen dat men er niet doortrapt, elders een buigertje maken, geheeten.