Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

2018-12-06

ZEDE

betekenis & definitie

ZEDE, v. (-n), wijze, gewoonte, wat in kleineren of grooteren kring in gebruik is, goed genoemd wordt: de zeden van een land; de goede zeden, de goede gewoonten;

— de zedelijkheid: dat is strijdig met de goede zeden ; rein van zeden zijn; vergrijp tegen de zeden; kwade samensprekingen bederven de goede zeden.