Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

WOLK

betekenis & definitie

WOLK, v. (-en), overgangsvorm van den onzichtbaren waterdamp tot regen, mist, sneeuw of hagel: de lucht is met wolken bedekt; de wolken trekken naar het oosten; de wolken pakken zich samen, worden voortdurend dichter;

— wat bij eene wolk vergeleken wordt: wolken van stof warrelden omhoog; eene wolk van rook, van sprinkhanen, zeer groote menigte sprinkhanen; (bijb.) eene wolk van getuigen, zeer veel getuigen;
— een wolkje melk in de thee of koffie, zeer weinig;
— het water moet zonder wolken zijn, de urine moet helder zijn;
— wolkjes op den buik eener zwangere vrouw, wolkvormige roode vlakken wegens het uitrekken der huid;
— een kerel als eene wolk, gezonde, kloeke kerel; een kind als eene wolk, een zeer groot, gezond kind;
— donkere wolk, dreigend, ongunstig vooruitzicht;
— iem. tot in de wolken verheffen, hem uitbundig prijzen;
— uit de wolken vallen, hoogst verbaasd of ontsteld zijn;
— in de wolken zijn, zeer verheugd zijn. WOLKJE, o. (-s), kleine wolk; streepje in het wit van het oog; vlies in de pis; vlek in edelgesteenten die op eene wolk gelijkt; (fig.) donkere of sombere trek op het gezicht: donkere wolkjes vertoonden zich op haar gelaat.