Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Wissel

betekenis & definitie

Het begrip wissel heeft 2 verschillende betekenissen:

1. wissel - WISSEL, m. (-s), (kooph.) wisselbrief: het bedrag van een wissel; een wissel trekken, weigeren, accepteeren; de wissel vervalt morgen;
— (fig.) betalen met een wissel op de eeuwigheid, nooit betalen;
— wisselkoers; wisseling; overgang; verandering. WISSELTJE, o. (-s).

2. wissel - WISSEL, m. (-s), (jag.) het haas volgt zijn wissels, dwarssprongen;
— de beweegbare inrichting die gelegenheid geeft aan spoortreinen of enkele spoorwagons van het eene spoor op het andere over te gaan of van spoor te wisselen; een vol wissel, tusschen twee evenwijdige sporen, bevat dus eigenlijk twee wissels; Engelsche wissel, kruiswissel, tusschen twee sporen die elkander onder een scherpen hoek snijden; een halve Engelsche wissel is slechts eenzijdig, vormt eene soort van driesprong; een wissel verzetten, overhalen.