Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

2018-12-06

WINNEN

betekenis & definitie

WINNEN, (won, heeft gewonnen), voordeel behalen (b.v. door koop en verkoop, in het spel, door wedden enz.) : aan (of op) die koffie wint hij ƒ 1000; de winnende hand is mild, wien het welgaat is doorgaans ook weldadig; die waagt die wint, alleen hem, die iets onderneemt, kan iets gelukken;

— bij het kaarten winnen; wie heeft het spel gewonnen ?; (fig.) het is een gewonnen spel, de onderneming is gelukt; zich gewonnen geven, het opgeven; een proces winnen, door den rechter in het gelijk gesteld worden;
— hooi winnen, verkrijgen en inzamelen; zaad winnen;
— den kost winnen, verdienen;
— het net ophalen als men vischt;
— (iets) erlangen, bekomen (b.v. door vriendelijke voorkomendheid, door mededinging, door naijver): den prijs winnen; een veldslag winnen; tijd winnen; aller harten winnen;
— door overtuiging of overreding tot zijne partij overhalen : iem. voor zijne partij winnen;
— telen, verwekken;
— aan iets winnen, vordering bespeuren: ik win dagelijks aan u, ik merk, dat gij eiken dag er beter uitziet (of beter leert enz.);
— aan de winnende hand zijn, beginnen te winnen; op iets of iem. winnen, kans hebben om iets of iem. vooruit te komen, voorbij te streven;
— (zeew.) op een ander schip winnen, het naderen, met kans om het vooruit te komen;
— in den wind winnen, bij den wind opwerken, opsteken; in breedte, in lengte winnen. WINNING, v. het winnen.