WINNEN betekenis & definitie

WINNEN, (won, heeft gewonnen), voordeel behalen (b.v. door koop en verkoop, in het spel, door wedden enz.) : aan (of op) die koffie wint hij ƒ 1000; de winnende hand is mild, wien het welgaat is doorgaans ook weldadig; die waagt die wint, alleen hem, die iets onderneemt, kan iets gelukken;

— bij het kaarten winnen; wie heeft het spel gewonnen ?; (fig.) het is een gewonnen spel, de onderneming is gelukt; zich gewonnen geven, het opgeven; een proces winnen, door den rechter in het gelijk gesteld worden; — hooi winnen, verkrijgen en inzamelen; zaad winnen; — den kost winnen, verdienen; — het net ophalen als men vischt; — (iets) erlangen, bekomen (b.v. door vriendelijke voorkomendheid, door mededinging, door naijver): den prijs winnen; een veldslag winnen; tijd winnen; aller harten winnen; — door overtuiging of overreding tot zijne partij overhalen : iem. voor zijne partij winnen; — telen, verwekken; — aan iets winnen, vordering bespeuren: ik win dagelijks aan u, ik merk, dat gij eiken dag er beter uitziet (of beter leert enz.); — aan de winnende hand zijn, beginnen te winnen; op iets of iem. winnen, kans hebben om iets of iem. vooruit te komen, voorbij te streven; — (zeew.) op een ander schip winnen, het naderen, met kans om het vooruit te komen; — in den wind winnen, bij den wind opwerken, opsteken; in breedte, in lengte winnen. WINNING, v. het winnen.