Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Wijs

betekenis & definitie

Het begrip wijs heeft 2 verschillende betekenissen:

1. wijs - WIJS, WIJZE, v. (wijzen), manier van handelen : dat gebeurde op deze wijze; eene zekere wijze van doen; niet van zijne gewone wijze afwijken ; hij heeft eene bijzondere wijze van spreken ; op duidelijke wijze te kennen geven ; bij wijze van spreken, om het zoo eens te zeggen ; hij wijze van roer, op de manier van een roer;
— gewoonte, gebruik : op de wijze der Franschen ; naar de wijze des lands;
— (spr.) ’s lands wijs, ’s lands eer, ieder land heeft zijne bijzondere manieren, gebruiken, men moet de gewoonten van een land eeren ;
— zangtoon, melodie: een nieuw lied op de wijze van ,,Io vivat” te zingen; dat is eene bekende wijs ;
— van de wijs raken, niet in toon blijven, (fig.) in de war raken, (ook) ongesteld worden ; iem. van de wijs brengen;
— (taalk.) de wijzen der werkwoorden, de vormen om de betrekkingen aan te duiden, waarin de gedachte in een volzin uitgedrukt, naar de voorstelling van den spreker, staat tot de werkelijkheid. WIJSJE, o. (-s), kleine, aardige melodie : dat is een lief wijsje.

2. wijs - WIJS, bn. bw. (wijzer, wijst), verstandig, veel wetende, geleerd : de wijze vrouw, (veroud.) vroedvrouw die hier en daar op het platteland nog wijze moer heet;
— wie is wijs ? wie kan zeggen, dat hij verstand heeft ?
— hij praat zoo wijs, doet alsof hij zoo knap is, zoo veel weet;
— (spr.) hij is zoo wijs als Salomo’s kat, hij meent van wijsheid te bersten ;
— het ei wil wijzer zijn dan de hen, zie EI;
ik kan er niet wijs uit worden, ik begrijp er niets van ;
voorzichtig, ervaren: door schade en schande wordt men wijs, wordt men voorzichtiger, krijgt men meer doorzicht;
hij is wijs met zijn huis, hij stelt het op hoogen prijs, vraagt er veel geld voor;
— (fig.) hij is er zoo wijs mee;
— die een recht gebruik van zijne meerdere kunde maakt en tot de beste einden de beste middelen kiest: een wijs man; wijs handelen ; wees wijzer, handel toch anders ;
— (fig.) hij is niet wijzer, hij weet niet beter ;
— hij is niet goed wijs, niet goed bij zijn verstand.