Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Wapen

betekenis & definitie

Het begrip wapen heeft 3 verschillende betekenissen:

1. wapen - WAPEN - o. (-s, -en), ieder werktuig of ding om er zich mede te verdedigen of iem. aan te vallen, inz. die in den oorlog gebruikt worden; (bij uitbr.) de ledematen en lichaamsdeelen van dieren, die tot verdediging of aanval dienen; te wapen loopen, snellen, de wapens opnemen;
— met de blanke wapens, getrokken sabel, geveld bajonet;
— verboden wapens; de wapens neerleggen, den strijd opgeven; te wapen ! vat de wapens op!, trekt ten strijde! zij had geen ander wapen dan hare tranen, middel van verdediging ; (fig.) zich een wapen van iets maken, iets als krachtig middel aanwenden (om zijne begeerte door te drijven);
— iem. met zijne eigen wapens bestrijden, zijne eigen woorden tegen hem keeren, (ook) hem op dezelfde wijze bestrijden.

2. wapen - WAPEN - o. (-s), afdeeling van een leger, onderscheiden naar het hoofdwapen dat de soldaten voeren: het wapen der infanterie; de bereden wapens; bij verschillende wapens gediend hebben.

3. wapen - WAPEN - o. (-s), onderscheidingsteeken van een vorstelijk of adellijk geslacht, dat gewoonlijk uit een met figuren bedekt schild bestaat: het wapen van Amsterdam, het blazoen; figuur welke het voornaamste deel van zulk een schild uitmaakt: hij voert een arend in zijn wapen;
— (fig.) hij voert iets in zijn wapen, hij is wat van zins;
— (fig.) grootsch in zijn wapen zijn, trotsch zijn.