Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

2018-12-06

WANG

betekenis & definitie

WANG - v. (-en), koon, deel van het aangezicht: zachte, fluweelen wangen; tranen biggelden over hare wangen;

— (zeew.) zijstuk, klamp (tegen een mast om dien te stutten);
— (gew.) dam, dijk. WANGETJE, o. (-s).