Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

WAL

betekenis & definitie

WAL - m. (-len), eene hooge en breede ophooging van aarde om iets tegen te houden, inz. rondom eene plaats om die in tijd van oorlog te beschermen : eene stad met wallen omringen; de oude wallen slechten;

— waterkant (eener kade enz.); oever, zoom, boord (eener rivier); (zeew.) aan wal (land) gaan; aan wal blijven, zich niet aan boord begeven; van wal steken, afzeilen, afvaren, vertrekken, (ook fig.) een begin met iets maken; (fig.) aan hooger wal zijn, door de fortuin begunstigd worden; (fig.) aan lager wal zijn, tegenspoed ondervinden; (spr.) dat raakt kant noch wal, dat is heel ongerijmd; iem. van den wal in de sloot helpen, hem verkeerd raden, onhandig helpen; langs den wal zeilen, kalm, voorzichtig, zonder buitensporigheden, zuinig; (fig.) de beste stuurlui staan aan wal, zie op STUURMAN;
gracht;
wallen onder de oogen hebben, verdieping, holle oogen hebben. WALLETJE, o. (-s), kleine wal; (spr.) bij het walletje langs, bijna, het scheelde zeer weinig.