Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 14-03-2020

Vuil

betekenis & definitie

Het begrip vuil heeft 2 verschillende betekenissen:

1. vuil - VUIL - bn. bw. (-er, -st), onrein, morsig: vuile handen, kleeren hebben, er vuil uitzien; vuile straten, met modder bedekt; zich vuil maken; (spr.) zijne handen ergens niet aan vuil maken, zich met eene vuile zaak niet bemoeien, er zich niet mede inlaten; vuil bewerkt, slordig;
— een kleed, vuil snijden, rekenen op het insnijden, zoodat de patronen goed samenkomen;
— reeds gebruikt: vuil linnengoed; (drukk.) eene vuile proef; die pijp is vuil; (spr.) daar zal hij eene vuile pijp aan rooken, dat zal hem leelijk opbreken;
— vuil weer, buiig weer; (fig.) het zal vuil weer geven, er zal wat komen kijken, oppassen zal de boodschap zijn ;
— (zeew.) een vuil schip, welks kiel met schelpen, zeewier enz. begroeid is ;
— eene vuile kust, met verborgen klippen bezet;
— een vuile grond, waarin het anker niet houdt;
— vuil water maken, door de modder zeilen zonder vast te raken ;
— niet frisch : eene vuile kleur ;
— bedorven : een vuil ei; eene vuile wonde, vervuild; eene vuile maag hebben; vuile lucht (onzuivere) inademen;
— laag, gemeen.

plat: vuile uitdrukkingen; vuile taal, vuile moppen; hij is vuil in den mond, slaat veel vuile taal uit;
— een vuil liedje, een gemeen, plat liedje ;
— een vuil dichter, vervaardiger van vuile liedjes;
— eene vuile zaak, in tegenst. met eene eerlijke zaak ;
— , o. vuilnis : het vuil opgeven, wegwerpen.
VUILHEID, v. (...heden), morsigheid; gemeenheid; zedeloosheid.

2. vuil - VUIL - m., VUILEN mv. vuile gronden, gevaarlijk om over te zeilen of waarin het anker niet houdt.