Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

VOLLEN

betekenis & definitie

VOLLEN - (volde, heeft gevold), walken, een weefsel vervilten, de vezels voller, dichter ineenwerken inz. bij de hoedenmaker ij, de lakenbereiding en het zeemtouwen ; door het vollen verliest het ruwdoek van 25% tot 50% der grootte. VOLLING, v. (-en), het vollen : de volling geschiedt gewoonlijk onder toevoeging van verschillende bijtende en ontvettende stoffen; de koude volling (in matig warme vloeistof) geschiedt langzamer doch gelijker dan de warme volling (in een bad van ongeveer 170° C.).