Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

VLOED

betekenis & definitie

VLOED - m. (-en), het vloeien;

— (geneesk.) bloedvloeiing uit de geslachtsdeelen eener vrouw; witte vloed, zekere ziekte der vrouwen;
— de toestand van iets dat vloeit; groot stroomend water; groote rivier;
— wassend water; het wordt vloed; de vloed komt opzetten; den vloed doodzeilen, de werking van den vloed te boven komen;
— (zeew.)
voor vloed liggen; (spr.) werelds goed is eb en vloed, komt en verdwijnt evenals de eb en de vloed;
— het komt als eb en vloed, het verdwijnt en gaat, wordt nu minder dan meer; stortvloed, overstrooming; de vloed voerde alles mee; in den vloed omkomen;
— (fig.) groote menigte : in een vloed van tranen; een vloed van woorden, van scheldwoorden.