Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

VISCH

betekenis & definitie

VISCH - m. (visschen), (v. als stofn.) een in het water levend gewerveld dier met rood, koud bloed, dat zich door vinnen beweegt en door kieuwen ademt: de visch zwemt, schiet kuit; visch vangen, grommen, schoonmaken; visch bakken, koken, eten;

— (in sprw.) hij kan zwemmen als een visch, zeer goed zwemmen; zoo gezond als een visch, zeer gezond; visch wil zwemmen, bij een vischmaal behoort goede wijn, (ook) als men visch gegeten heeft, wil men veel drinken; leven als een visch in het water, onbekommerd, onbezorgd leven; hij ligt als eene visch op het droge, geheel machteloos; zoo stom als een visch, steeds zwijgende; boter bij de visch, gereed geld, contant;
— groote visschen eten de kleine, de grooten verdrukken de geringen;
— groote visschen scheuren het net, de aanzienlijken kunnen zich door veel dingen heenslaan;
— een klein vischje, een zoet vischje, klein voordeel met weinig moeite verkregen is vaak aangenamer dan een groot voordeel, dat veel moeite, zorg en inspanning eischte; ook van elk klein gewin gezegd;
— men weet niet, of men visch of vleesch aan hem heeft, het is iemand zonder karakter; visch laat den mensch als hij is; hoe meer visch, hoe droever water, hoe meer volk, hoe minder de bedeeling. VISCHJE, o. (-s).