Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Vierkant

betekenis & definitie

Het begrip vierkant heeft 2 verschillende betekenissen:

1. vierkant - VIERKANT - o. (-en), (meetk.) eene ruit waarvan de hoeken recht zijn (aangeduid door het teeken ☐); een voet in het vierkant, vlak van een voet lengte en een voet breedte; iets in een vierkant zetten, leggen; het vierkant (de quadratuur) van den cirkel; (gew.) doophek;
— (boekdr.) quadraat dat tusschen de woorden het wit vormt;
— het vierkant van een getal, de tweede macht.

2. vierkant - VIERKANT - bn. bw. met vier kanten of hoeken; eene vierkante tafel;
— (fig.) een vierkante kerel, sterk gebouwd, (ook) ronduit sprekend; iem. het vierkante gat (ook wel: deurgat) wijzen, hem de deur uitjagen;
— iem. vierkant de deur uitgooien, hem met kracht buitenwerpen;
— (Ind.) de vierkante pot of de vierkante Jan, groene kelderflesch met of voor jenever;
— een vierkant gezicht, een hoekig;
— het staat op zijn vierkant, het is buigen of bersten;
— iem. vierkant de waarheid zeggen, vlakuit, zonder verzachting;
— dat hebt ge vierkant mis, geheel en al mis;
— (wisk.) een vierkant getal, een getal met zichzelf vermenigvuldigd (als; 3 X 3 = 33 = 9); eene vierkante grootheid (als : a X a = a2).