Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

VIERDE

betekenis & definitie

VIERDE - bn. (ranggetal); het is heden de vierde (dag der maand); Hendrik de Vierde (van dezen naam); de zoon van Hendrik den Vierden; het vierde deel (van een geheel), kwart: de vierde penning, 25 ten honderd;

— ten vierde, in de vierde plaats;
— een vierde, opeenvolging van vier kaarten van dezelfde kleur;
—, o. kwart, vierde gedeelte; (rekenk.) een vierde, 1/4; drie vierde; drie vierden, al naar men de deelen bij elkander of afzonderlijk beschouwt, vgl. VIJFTIENDE.