Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Veld

betekenis & definitie

Het begrip veld heeft 2 verschillende betekenissen:

1. veld - VELD - o. (-en), vlakte, het open land buiten de steden en dorpen : in het open, het vrije veld wandelen;
— de schapen naar het veld drijven, naar de weide;
— het veld bebouwen, het land, den akker;
— het koren, de bouw staat te velde, nog op den akker;
— op het veld werken;
— in geen velden of wegen was er iem. te zien, heinde noch verre;
— in het ruime veld, de vlakte;
— de ijsvelden, uitgestrekte ijsvlakten; het blauwe veld, het hemelgewelf; (fab.) de Elizeesche velden, zie aldaar;
— op het veld van eer vallen, sneuvelen;
slagveld: het leger trok te velde;
— tegen iets te velde trekken, het bestrijden;
— het veld behouden, niet teruggedreven worden, (fig.) zich staande houden, aan het langste eind blijven;
— het veld ruimen, verslagen worden;
— uit het veld slaan, op de vlucht drijven; (fig.) iem. van zijn stuk brengen, paf doen staan; veld winnen, vorderen; (fig.) dat gevoelen, die meening won meer en meer veld, vond voortdurend meer aanhangers;
— iem. het veld alleen laten, hem verlaten, niet langer bestrijden;
— begrensd vlak: de velden van een dam-, schaakbord;
— (org.) vak tusschen de frontpijpen van een orgel;
— grond van een wapenbord;
— deelen der huid bij vogels waar de veeren ingeplant zijn;
— (nat.) magnetisch veld, iedere ruimte waarin zich magnetische krachten doen gevoelen;
— het veld van een kijker, begrensd deel dat men door een kijker kan waarnemen;
— gebied, deel der wetenschappen: een ruim veld van studie; een uitgestrekt veld voor beschouwingen. VELDJE, o. (-s).

2. veld - VELD - v. afkorting voor : veldartillerie : hij staat bij de veld.