Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Vat

betekenis & definitie

Het begrip vat heeft 2 verschillende betekenissen:

1. vat - VAT - o. (-en), alles wat iets bevatten kan, als bord, schotel enz. : zilveren, gouden vaten;
— keukengereedschap, borden en schotels : de vaten wasschen; ook nog in samenstellingen: zoutvat, koelvat enz.;
— lange al of niet getakte buizen, veel wijder dan de vezels waarin zich eene vloeistof beweegt (in het lichaam van dieren en planten), b. v. bloedvaten, melkvaten;
— eene uit duigen samengestelde ton : een vat wijn; een vat opsteken, er het eerst van beginnen te tappen; naar het vat smaken, fustig zijn;
— (spr.) wat in het vat is, verzuurt niet, uitstel is nog geen afstel; dat hebt ge nog te goed;
— het is nog niet in het vat, waarin het zuren moet, de zaken zijn nog niet ver genoeg gevorderd:
— hij heeft bij mij nog iets in het vat, hij staat bij mij nog in het krijt, wij hebben nog wat af te rekenen samen;
— holle vaten klinken, rammelen het hardst, nietweters voeren gewoonlijk het hoogste woord;
— het vat der Danaïden, een bodemloos vat dat de Danaïden met water moesten vullen en waarmee zij nooit klaar kwamen; (w. g.) dat is het vat der Danaïden, dat is iets bepaald onmogelijks;
— (bijb.) uitverkoren vaten, menschen tot groote doeleinden bestemd; (R. K.) Eerwaardig vat en Schoon vat van godsvrucht, het lichaam der H. Maagd;
— het zwakke vat, de vrouw;
— vochtmat = 1 Hectoliter;
— (nat. hist.) eene soort van tonslak (dolium galea), zoo groot als een menschenhoofd, die in de Middellandsche Zee leeft. VAATJE, o. (-s), klein vat; (spr.) uit een ander vaatje tappen, iem. anders toespreken of behandelen dan te voren; uit het patersvaatje tappen, van den besten wijn of het beste bier uit den kelder tappen;
— een vaatje zuur hier, oude ongetrouwde juffer.

2. vat - VAT - m. greep; handvat; (fig.) het vatten, grijpen, greep; (fig.) geen vat op iem. hebben, iem. van niets kunnen beschuldigen, geene reden tot aanklacht tegen iem. hebben; vat op iem. krijgen;
— vermaningen hebben geen vat op hem, vermogen niets op hem.