Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

VAK

betekenis & definitie

VAK - o. (-ken), afgesloten, begrensde ruimte, open plek, inz. hokje in eene lade, doos of kast om verschillende voorwerpen afgezonderd te bewaren : de muur is met vakken geschilderd; eene zoldering met vakken; vak in een muur;

— (bouwk.) ruimte tusschen de balken eener zoldering;
— (zeew.) ruimte tusschen de spanten;
— eene doos, kast met vakken; de vakken eener letterkast;
— de vakken van een schaakbord, de velden, ruiten;
— eene bladzijde in vakken verdeelen, door loodrechte lijnen;
— (fig.) tak van wetenschap : de boeken naar vakken plaatsen; taalkunde is mijn vak; zich op een ander vak toeleggen; een man van ’t vak, in tegenst. met liefhebber, dilettant; als een man van ’t vak spreken, met veel kennis van zaken;
— beroep, middel van bestaan : een vak leeren; hij is schrijnwerker van zijn vak; het tabaksvak is ongezond; een ziek vak, waarin weinig te doen is. VAKJE, o. (-s), hokje, kleine ruimte; (ontl.) kleine holten in de hersenen, in de longen; (plantk.) zaadhuisje, celletje.