VAAN betekenis & definitie

VAAN - v. (vanen), vaandel; (veroud.) getal krijgslieden die onder ééne vaan optrekken; — (fig.) leus: de vaan des opstands planten, opstand verwekken, tot opstand geraken; — ijzeren windwijzer; — maat van vloeistoffen (= vier mengel); (fig.) eene vaan ophebben, een weinig te veel gedronken hebben. VAANTJE, o. (-s), klein vaandel; windwijzer (op een toren of een schoorsteen).

Laatst bijgewerkt 06-12-2018