Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

UITSTAAN

betekenis & definitie

UITSTAAN - (stond uit, heeft uitgestaan), buiten de lijn staan : nummer 7 staat uit, dat mag niet;

dulden, lijden, verduren: veel pijn uitstaan; ik heb doodsangsten uitgestaan, ik ben verschrikkelijk angstig geweest;
— koude, hitte kunnen uitstaan, verdragen;
— geld staat uit tegen 5ü/0, is tegen 5°/o uitgeleend;
— ik heb nog veel geld uitstaan, onder de menschen staan, nog te vorderen:
— iem. niet kunnen uitstaan, zijn bijzijn niet kunnen verdragen, hem minachten; (ook) hem haten;
— te vereffenen hebben, in geschil zijn over : wij hebben niets met elkander uitstaan, te maken.