Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-12-2018

Tuig

betekenis & definitie

Tuig - o. (-en), werktuig, gereedschap, toestel;

al de riemen en koorden, waarmede een paard of ander dier wordt toegerust om iets voort te trekken enz.; een paard het tuig af-, aandoen;
— geschut met alles, wat daartoe behoort, nog over in de samenstellingen tuighuis, tuigkamer enz.;
— (zeew.) al wat vereischt wordt om een mast enz. in behoorlijken toestand te brengen : het tuig van het schip was zeer gehavend;
— stof waaruit iets vervaardigd is : wat is dat voor tuig ?: hij steekt raar in zijn tuig, hij is slordig gekleed;
— slecht goed, prullen: tuig van sigaren; tuig van volk, het is tuig slecht volk ;
— versiersel, opschik; zilveren of gouden ketting met schaar en naaldenkoker. TUIGJE, o. (-s).