Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-12-2018

2018-12-02

Troef

betekenis & definitie

Troef - v. (...ven), kaart waarmede andere kaarten (in het spel genomen of geslagen worden); hartenvrouw is troef; troef bekennen, eene troefkaart bijspelen ; troef verzaken, geen troefkaart spelen; troef keeren, eene kaart keeren, nadat men de kaarten heeft rondgegeven, die alle andere kaarten van die kleur tot troeven maakt; (fig.) hij verzaakt nooit troef, hij is overal bij, neemt overal deel aan, als hij uitgenoodigd wordt;

— (spr.) iem. troef geven, geducht raken (met den mond of met de handen); troef krijgen ;
— armoede is er troef, heerscht er voortdurend.
TROEFJE, o. (-s).