Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-12-2018

Ton

betekenis & definitie

Ton - v. (-nen), gekuipt houten vat, ongeveer cilindervormig, maar in het midden wijder: ton voor water, voor regenwater, voor cement enz.;

— (spr.) zoo rond als eene ton zijn, zich dik gegeten hebben;
— wij zaten als haringen in eene ton, veel te dicht op elkander ; den sprong door de ton doen, door de ton gaan, bankroet gaan;
— groot met ijzer beslagen vat waarin ertsen in de mijnen naar boven gebracht worden;
— (zeew.) tonvormige boei tot afbakening van het vaarwater; de witte tonnen houden, in het diepe vaarwater blijven; de zwarte tonnen duiden de ondiepe plaatsen aan;
— de laatste ton voorbij zijn, in volle zee zijn (van het strand komende);
— zekere maat: eene ton bier = 1 H. L.; eene ton turf = 2 H. L.; eene ton aardappelen == I H. L., (ook) = 5 L. met een kop erop gemeten:
— eene ton karton
— 10 pak; scheepston, zie aldaar; registerton,, zie aldaar;
— eene ton gouds ~ 100,000 gulden; (fig.) het kost tonnen {schats), zeer aanzienlijke schatten, millioenen. TONNETJE, o. (-s), kleine ton (in alle bet.);
— pop van vlinders, inz. van de zijderups;
— tonvormige sluiting aan halskettingen en halssnoeren.