Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-12-2018

2018-12-02

Tikker

betekenis & definitie

Tikker - m. (-s), die tikt;

— (gew.) arreslee. TIKSTER, v. (-s). TIKKERTJE, o. (-s), boorkever; (fig.) het geweten : het tikkertje van binnen;
— een klein tikkertje nemen, een glaasje sterken drank.