Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-12-2018

Tellen

betekenis & definitie

Tellen - (telde, heeft geteld), de eenheid en de hoeveelheden in hare natuurlijke volgorde opnoemen : tot tien, tot twintig leer en tellen; (fig.) daar staat hij alsof hij geen drie, geen tien kan tellen, alsof hij te dom is om te kunnen spreken;

— op zijne vingers tellen, terwijl men de hoeveelheden door vingers voorstelt; (fig.) dat kan men op zijn vingers natellen, gemakkelijk nagaan;
— door tellen de hoeveelheid bepalen, nagaan hoeveel er zijn : de gasten tellen; de bevolking, de stemmen tellen; het geld tellen;
— (fig.) de meikever telt zijn geld, wanneer hij telkens den kop vooruitbrengt om de luchtbuizen der vliesvleugels vol te pompen: heeft hij zijn geld geteld, dan gaat hij vliegen;
— (spr.) men kan zijne ribben tellen, zoo mager is hij;
— hij moet op zijn tellen passen, hij moet voorzichtig zijn;
— iem. de brokken in den mond tellen, zeer nauwkeurig acht geven op hetgeen hij gebruikt, wijl men het hem niet gunt;
— hij loopt de steentjes te tellen, hij loopt met het hoofd gebogen, met den blik naar beneden gericht (wegens bedeesdheid, gepeins enz.);
— afrekenen, beginnen te rekenen van zekeren dag, zeker tijdstip, zekere gebeurtenis : wij beginnen van heden te tellen;
— hoever telt die vrouw ?, sedert wanneer rekent zij hare zwangerschap ?;
— een zeker getal vormen : onze stad telt 300.000 zielen;
— wij tellen acht, wij zijn met ons achten;
— dat meisje telde 16 zomers, was 16 jaar oud;
— rekenen, aannemen te behooren : iem. onder zijne vrienden tellen; hij telt onder de knapsten van zijn tijd, wordt daarbij gerekend; ik tel dat tot het moeilijkste wat er is;
— gelden : (kaartsp.) heer en vrouw tellen voor 20;
— dat telt niet, wordt niet meegerekend; hij telt daar voor niets, is er niet geacht, geëerd.