Teef betekenis & definitie

Teef - v. (teven), wijfje van den hond en den vos; — (gemeenz.) vrouw, meisje: eene lekkere, aardige teef; inz. slecht, ontuchtig vrouwspersoon; (ook) kreng van een wijf : het is eene echte teef. TEEFJE, o. (-s).