Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-12-2018

2018-12-02

Teef

betekenis & definitie

Teef - v. (teven), wijfje van den hond en den vos;

— (gemeenz.) vrouw, meisje: eene lekkere, aardige teef; inz. slecht, ontuchtig vrouwspersoon; (ook) kreng van een wijf : het is eene echte teef. TEEFJE, o. (-s).