Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-12-2018

Tak

betekenis & definitie

Tak - m. (-ken), uitspruitsel (van een boom of ander gewas), boomscheut: de takken van een boom; de boom verdeelt zich in takken; groene, dorre takken;

— (spr.) van den hak op den tak springen, telkens tot iets anders overgaan;
— buig het takje, als het nog jong is, kinderen kan men jong tot alles wennen, wat op lateren leeftijd mislukt;
— iets met wortel en tak uitroeien, geheel en al;
— wat zich als een tak van den stam, van de hoofdzaak verwijdert, afzondert: (nat. hist.) de takken van hertshorens, van koralen, de zijdelingsche uitspruitsels aan hertshorens, koraalstokken;
— arm (eener rivier);
— gedeelte van een borg, dat zich ter zijde uitbreidt;
— de takken der luchtpijp; de aorta verdeelt zich in drie takken; takken eener zenuw;
— takken, aambeien;
— afdeeling, onderdeel b. v. handelstak; tak van dienst, van bestuur;
— (zeew.) kleinste gedeelte eener knie. TAKJE, o. (-s), kleine, dunne tak.