Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-12-2018

2018-12-02

Suizen

betekenis & definitie

Suizen - (suisde, heeft gesuisd), zacht ruischen, mijne ooren suizen, tuiten;

— zingen (van water dat begint te koken);
— het windje suist in de bladeren, ruischt zachtjes. SUIZING, v. (-en), het gesuis (in het oor). '