Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-12-2018

Strootje

betekenis & definitie

Strootje - o. (-s), dunne stroohalm: door een strootje blazen, limonade opzuigen; over een strootje vallen, over eene kleinigheid reeds onaangename dingen zeggen ; (ook) niets over zijn kant laten gaan;

— hij is met een strootje te verleiden, heel gemakkelijk tot iets over te halen ;
— halm van zekere grassoort, die inz. dient om eene lange Goudsche pijp door te steken ;
— (oudt.) strootje trekken, door het trekken van het langste of kortste strootje uit eenige die in de hand gehouden worden den dader van een diefstal ontdekken; (thans) op die wijze eene keuze bepalen;
— een strootje bokkingen, een bos;
— zeer lichte sigaar : hij rookt strootjes;
— (Ind.) cigarette in een omhulsel van maïsblad of palmblad : een pakje strootjes.