Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Stroop

betekenis & definitie

Het begrip stroop heeft 2 verschillende betekenissen:

1. stroop - stroop - (stropen), SIROOP, v. (siropen), dik suikervocht; afkooksel van planten of vruchten, met suiker toebereid; siroop van punch ; een glas stroop, vruchtenstroop met water aangelengd ;
— (fig.) zoetigheid, vleierij : iem. stroop om den mond smeren, hem vleien. STROOPJE, o. (-s), een afkooksel van planten met suiker toebereid, als geneesmiddel: een stroop je voorschrijven, laten klaarmaken;
— (gew.) een glas jenever met stroop;
— een papiertje met gekookte stroop.

2. stroop - stroop - m. (-en), roof, plundering, strooptocht.