Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-12-2018

Stem

betekenis & definitie

Stem - v. (-men), vermogen van dieren en menschen om een geluid door de keel voort te brengen, keelgeluid, klank: visschen hebben geene stem; de stemmen der vogelen;

— inz. de stem der menschen: met luider stemme roepen, zeer hard;
— zijne stem verheffen, laten zakken, harder, zachter spreken ;
— eene heldere, doffe, zwakke, fijne stem; de stem wisselt (bij knapen in hunne puberteitsjaren), gaat over van kinderstem tot mannenstem; zijne stem veranderen, daaraan een anderen klank geven ;
— iem. aan zijne stem herkennen;
— de stem des donders, het geluid ervan;
— de menschelijke stem als zangorgaan: hij heeft geene stem. hij kan niet zingen : eene goede, mooie, geoefende, versleten stem hebben; hij is goed bij stem, hij zingt goed;
— zij is hare stem kwijt, heeft hare stem verloren, zij kan niet meer zingen;
— (muz.) muzieknoten die voor ééne stem geschikt zijn, partij: de eerste, tweede, derde stem zingen; alt-, basstem; de stemmen uitschrijven, de partijen; de vioolstemmen waren goed,
— met betrekking tot den inhoud van hetgeen er gezegd wordt: aan iemands stem gehoor geven, doen wat hij verlangt ;
— (spr.) de stem des volks is de stem (of stemme) Gods (vox populi, vox Dei), een door het volk algemeen uitgedrukt verlangen berust meestal op redelijke gronden;
— de stem des bloeds, der natuur, der rede, van het geweten;
— blijk van gevoelen (voor of tegen iets), verklaring van goed- of afkeuring : zijne stem uitbrengen over; stemmen verzamelen (opnemen); de stemmen waren tegen hem; bij meerderheid van stemmen, stemmen vertegenwoordigen (in eene vergadering), recht hebben op het uitbrengen van een zeker aantal stemmen;
— de stemmen staakten, er waren evenveel leden die voor als leden die tegen stemden;
— zijne stem (toestemming) tot iets geven;
— zitting en stem hebben (in eene vergadering), bevoegd zijn in eene vergadering deel te nemen aan het beraadslagen en besluiten;
— (fig.) stem in het kapittel hebben, ook iets te zeggen hebben ;
— algemeen heerschend gevoelen: er was maar ééne stem over hem, over de zaak. STEMMETJE, o. (-s).