Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-12-2018

Stelling

betekenis & definitie

Stelling - v. (-en), het stellen, plaatsing der troepen op een terrein, het terrein zelf : het leger had eene voordeelige stelling ingenomen; den vijand uit zijne stellingen verdrijven;

— offensieve stelling, nagenoeg in ’t midden van alle punten, waar men den aanval kan verwachten, of waarheen men wil oprukken;
—verdedigende stelling, waar men den vijand wil afwachten;
—verschanste stelling, met schansen er omheen;
— stellage, steiger : iets op eene stelling leggen;
— hangende of vliegende stelling, ijzeren toestel waarvan de ververs zich bedienen om buitenmuren en buitenhout te verven ;
— samenstel van houten en blokken om iets te dragen : stelling om den mast; zaagstelling;
— stelling van een molen, zwichtstelling, omloop ;
— gesteldheid, toestand;
— standpunt, positie: eene benijdbare stelling; boerderij ;
— eene eigenschap die bewezen moet worden; (meetk.) theorema: een voorwaardelijk bewijsbaar oordeel;
— (reden.) grondgedachte: op stellingen promoveeren; dat zijn gewaagde stellingen;
— deel eener sluitrede, thesis. STELLINKJE, o. (-s).