Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-12-2018

Stellig

betekenis & definitie

Stellig - bn. bw. (-er, -st), zeker, bepaald, beslist: hij spreekt veel te stellig, veel te beslist;

ik kan u stellig, ten stelligste verzekeren een stellig antwoord geven, een beslist, bepaald antwoord;
— ik weet het stellig, geheel zeker;
— zonder mankeeren : ik kom stellig; gij kunt er stellig op aan;
— positief : de stellige wijsbegeerte; het stellig recht,
— hij is stellig te laat gekomen hoogst waarschijnlijk.
STELLIGHEID, v. (...heden), beslistheid.