Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

SPONS

betekenis & definitie

SPONS - v. (-en, sponzen), de sponsen (spongia) vormen eene klasse der huidzakdieren; zij leven als afzonderlijke dieren en vormen diergroepen (stokken);

— het vaste gedeelte of geraamte, waaruit de zachtere deelen verwijderd zijn, dat in ‘t dagelijksche leven bij het wasschen, baden, betten enz. veel gebruikt wordt: met eene spons wasschen, iets uitvegen; (spr.) de spons over iets halen, er niet meer over spreken; sponszakje (teek.), eene doorgestoken teekening op papier. SPONSJE, o. (-s).