Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Spijker

betekenis & definitie

Het begrip spijker heeft 2 verschillende betekenissen:

1. spijker - SPIJKER - m. (-s), puntig stukje metaal, gewoonlijk van een kop voorzien om iets stevig te bevestigen of aan het uitstekende deel iets op te hangen : iets met een spijker vastslaan; koperen, vertinde spijkertjes, spijkers zonder koppen; een spijker krom slaan, uittrekken;
— (spr.) den spijker op den kop slaan, de zaak juist treffen, juist zeggen waar het op aankomt, het juiste middel aangeven;
— spijkers met koppen slaan, doortasten, geen halve maatregelen treffen;
— zoo hard als een spijker zijn, tegen allerlei ongemakken bestand zijn, (ook) in hooge mate arm zijn; soms ook: in tijdelijke geldverlegenheid zijn;
— weet ik een spijker, hij weet een gat, hij is nooit verlegen met eene zaak;
— spijkers op laag water zoeken, vitten, ongegronde of nietsbeduidende aanmerkingen maken;
— (w. g.) iets aan den spijker hangen, het laten rusten, op de lange baan schuiven;
— die lamp is net een gloeiende spijker, geeft zeer weinig licht. SPIJKERTJE o. (-s).

2. spijker - SPIJKER - m. en o. (-s), heerenhuis; schuur; bergplaats voor gereedschap of koren. SPIJKERTJE, o. (-s).