Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

2018-12-06

SPIEGEL

betekenis & definitie

SPIEGEL - m. (-s), een lichaam van glas of metaal met eene gepolijste oppervlakte, dat door terugkaatsing beelden vormt van de voorwerpen, die zich daar tegenover bevinden; vlakke, holle, bolle spiegels; een metalen, zilveren spiegel; inz. verfoelied glas; in den spiegel kijken; den heelen dag staat zij voor den spiegel, beschouwt zij zichzelf in den spiegel;

— (fig.) de oogen zijn de spiegel der ziel, de oogen openbaren wat in het gemoed omgaat;
— de wereld is een spiegel der Goddelijke wijsheid;
— laat zijn voorbeeld u tot spiegel dienen, volg zijn voorbeeld na;
— iem. een spiegel voorhouden, hem het verkeerde van zijn gedrag laten zien; spiegel der zeden;
— de spiegel van een kistje sigaren, het meestal fraaie blad papier boven op de sigaren en aan den binnenkant van het dekseltje;
— de spiegel bij vogels, plek op den vleugel door de eigenaardige kleur en teekening der armpennen gevormd;
— (courant) de rekeningcourant van den inhoud van een dag- of weekblad, wat het aantal regels betreft: voor de spiegels heeft men thans gedrukte formulieren;
— eene spiegelgladde oppervlakte : de spiegel der zee; waterspiegel;
— ( geneesk.) werktuig om zekere natuurlijke lichaamsholten wijder te maken, open te houden en den inwendigen toestand dier organen te bezien;
— (mil.) houten schijf waarop de projectielen in den mortier worden geladen:
— (zeew.) vlak achterdeel van een schip;
— (timm.) met spiegel bewerkte boom, een boom die met paneelwerk betimmerd is. SPIEGELTJE o. (-s), kleine spiegel; spion (spiegel buiten het venster).