Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

2018-12-06

SLOOT

betekenis & definitie

SLOOT - v. (-en), gegraven waterscheiding, smaller dan eene gracht en breeder dan eene greppel, om het overtollige water af te voeren : eene sloot graven, schieten: eene sloot uitdiepen; eene sloot dempen; over eene sloot springen; in de sloot vallen;

— (fig.) van den wal in de sloot vallen, van kwaad tot erger, van den regen in den drop komen;
— iem. van den wal in de sloot helpen, hem een slechten raad geven;
— (spr.) hij zal in geen zeven slooten tegelijk loopen, ge kunt hem gerust alleen laten begaan;
— geene oude koeien uit de sloot halen, zie koe;
— (Z. A.) hij werkt eene sloot, zeer hard. SLOOTJE, o. (-s).