Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

2018-12-06

SINGEL

betekenis & definitie

SINGEL - m. (-s), grof touwweefsel: nieuwe singels onder de kussenstoelen maken;

— buikgordel (van een paard);
— (R.-K.) koord waardoor de albe om het middel wordt samengehouden; priestergordel die over de toog wordt gedragen ;
— buitenwal (om eene stadsgracht); (soms) de gracht om eene stad zelf: zij heeft zich in den singel verdronken ;
— (vissch.) droogsingel, met strandkeien bedekte plaats. SINGELTJE, o. (-s), kleine singel; (fig.) een singeltje maken, om de stad wat rondwandelen.