Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

SCHUDDEN

betekenis & definitie

SCHUDDEN - (schudde, heeft geschud), met min of meer kracht heen en weder bewegen of doen bewegen: een ketel schudden, om te hooren of er nog iets in is ;

— eene ton aardappelen schudden, zoodat de aardappelen dichter bij elkander komen; elkander de hand schudden, bij eene begroeting, of een afscheid;
— met het hoofd schudden, van ouderdom, (ook) ten teeken van verwondering, van afkeuring ;
— neen schudden, een ontkennend gebaar met het hoofd maken;
— (spr.) hij kan de ooren schudden, dat zij klappen, hij kan zich overal vertoonen, heeft voor geene opspraak te vreezen ;
— de hond schudde zich droog, toen hij uit het water kwam ;
— door elkander schudden : een drankje schudden, zoodat de bestanddeelen zich goed vermengen ;
— iem. door elkander schudden, bij wijze van straf ;
— het bed schudden, zoodat het weer zacht ligt, (ook) het opmaken;
— de kaart schudden, zoodat de volgkaarten goed verspreid raken;
— schokkende, hortende rukken, waardoor iets losser wordt: de suikerbrooden in de vormen schudden;
— zoo schudden dat iets valt: appels schudden ; de vruchtboomen schudden ; sneeuw van zijn goed, het stof van zijne schoenen schudden;
— (fig.) zich het juk der slavernij van den hals schudden, zich vrij maken;
— iets uit de mouw schudden, iets gemakkelijk, zonder inspanning doen ;
— kruit uit eene patroon schudden, geheel of ten deele leegmaken ;
— appels uit eene mand schudden;
— leegmaken, ruimte maken voor iets : graven schudden, op een kerkhof ;
— in eene trillende beweging zijn : de lamp hangt te schudden; alles schudt door elkander; hij schudde van ’t lachen; iem. de lever doen schudden van het lachen',
— (gew.) beven, sidderen: hij schudde van de kou. SCHUDDING, v. (-en), het schudden; beving, ruk ; trilling (bij eene aardbeving).