Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Scheppen

betekenis & definitie

Het begrip scheppen heeft 2 verschillende betekenissen:

1. scheppen - scheppen - (schepte, heeft geschept), putten, uit eene vloeistof met een hol voorwerp nemen : een emmer water scheppen; water uit eene sloot, eene rivier scheppen; iets half, heel vol scheppen;
— (Z. A.) uit de kan scheppen, te veel drinken;
— water uit een kelder scheppen, zoodat deze droog wordt;
— met een lepel ergens uithalen: soep, groenten op een bord scheppen;
— met eene schop ergens in, opdoen : kolen op het vuur, zand op een kruiwagen scheppen; aardappelen in een zak scheppen;
— (pap.) de bereide stof op den vorm nemen en alzoo het papierblad vervaardigen;
— (zeew.) de zeilen scheppen wind, vangen wind, zwellen;
— een zeil scheppen laten, half reven;
— pagaaien;
— jonge bijenzwermen in een schepkorf opvangen;
— inademen, tot zich nemen ; lucht, adem scheppen;
— (fig.) weer adem scheppen, na drukke bezigheden, beklemmenden angst enz. vrijer ademhalen, zich meer vrij gevoelen;
— moed scheppen, moed vatten;
— geduld scheppen; vreugde, vermaak, behagen in iets scheppen, er in vinden, hebben;
— (gemeenz.) iem. scheppen, daarbij steekt de aanvaller zijn hoofd tusschen de beenen van zijn tegenstander en slingert hem met een krachtigen ruk omhoog. SCHEPPING, v. (-en).

2. scheppen - scheppen - (schiep, heeft geschapen), iets uit niets vormen, in het leven roepen, vóórtbrengen : God schiep het heelal; God heeft den mensch naar Zijn beeld geschapen;
— die kunstenaar bootst goed na, doch weet niet te scheppen, niets uit eigen vinding voort te brengen;
— de dichters hebben de goden geschapen;
— scheppende verbeeldingskracht, zie aldaar;
— scheppend vernuft; scheppende macht.