Schat betekenis & definitie

Schat - m. (-ten), (oudt.) have of goed, hetzij roerend of onroerend; — groote hoeveelheid van iets kostbaars ; een schat van geld; hij bezit een schat van boeken, van schilderijen; een schat van kennis, geleerdheid , ondervinding; — alles wat met zorg bewaard of als iets uitstekends beschouwd wordt: gezondheid is een groote schat; — geliefd persoon : mijn schat, mijn schatje; inz. van een minnend paartje of van een klein kindje gezegd : zij is met haar schat gaan wandelen; het is een schatje van een kind; — voorraad van kostbare of als kostbaar aangemerkte dingen: een schat vinden, erven; — rijkdom: schatten bezitten, verzamelen, vergaderen; de schatten van Croesus zijn spreekwoordelijk geworden. SCHATJE, o. (-s).

Gepubliceerd op 29-11-2018