Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 03-06-2020

2020-06-03

Schade

betekenis & definitie

Het begrip schade heeft 2 verschillende betekenissen:

1. schade - schade - v. nadeel, verlies, ongelijk, hinder, letsel: de schade was gering, aanzienlijk, onherstelbaar;
— dat zal u geene schade doen, dat zal u niet ten nadeel strekken;
— de hagel heeft veel schade gedaan, veel bedorven, vernield, beschadigd;
— de nachtvorsten in het voorjaar doen veel schade aan de bloesems; wij zijn er zonder schade afgekomen, zonder letsel, (ook) zonder verlies;
— een blind paard zou daar geene schade doen, niets kunnen beschadigen (omdat er niets is);
— zijne schade trachten in te halen, zijn verlies trachten te herstellen of te dekken;
— wie moet de schade lijden, het verlies dragen;
— wie de schade maakt, moet ze vergoeden;
— met, zonder schade verkoopen, met of zonder verlies;
— dat is schade voor de hand, dat is klaarblijkelijk in ons nadeel;
— (spr.) door schade wordt men wijs, het ondergaan van verlies leert voorzichtig zijn; met schade en schande van iets afkomen; wie de schade heeft, heeft de schande er bij;
— (kooph.) baten en schaden, voor- en nadeelen, winst en verlies.

2. schade - schade - v. (gew.) schaduw.