Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 29-11-2018

Roomsch

betekenis & definitie

Roomsch - bn. van den katholieken godsdienst, daartoe behoorende ; dat is een Roomsch gebruik ; hij is Roomsch ;

— de Roomsche curie, de pauselijke beambten, waaraan het hoogste bestuur der Roomsche kerk is toevertrouwd ;
— de Roomsche kerk ; de Roomschen, katholieken ;
— (plantk.) roomsche kamillen, groote kamillen ; roomsche boonen, groote boonen, boerenboonen ;
— (scherts.) goed roomsch zijn, van veel room in de koffie houden.