Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 29-11-2018

Reuk

betekenis & definitie

Reuk - m. het vermogen om door middel der reukzenuwen eene gewaarwording te verkrijgen: een scherpen, fijnen reuk hébben ;

— (spr.) zijn reuk is zóó fijn, dat hij de zonde wél kan ruiken, scherts, gezegd van iem. die overdreven vroom is ;
— geen reuk hébben, niet ruiken;
— het zintuig van den reuk ;
—, (-en), fijne door de zenuwen van den neus waargenomen uitwaseming van verschillende voorwerpen : een vreemde, onaangename, aangename reuk',
— (jag.) lucht (van wild);
— roep die van iemand uitgaat: in een slechten reuk staan, niet gunstig bekend zijn;
— in reuk van heiligheid staan, voor zeer godvruchtig doorgaan ; (fig.) een politiehond reuk van iets geven, iets laten ruiken dat van den op te sporen persoon is, waaraan deze geraakt heeft;
— (fig.) den reuk van iets hebben, achter een geheim zijn ;
reukwater : wilt ge ook wat reuk ? REUKJE, o. (-s), er is een reukje aan dit vleesch, het is niet frisch.