Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 29-11-2018

2018-11-29

Regel

betekenis & definitie

Regel - m. (-s, -en), liniaal, werktuig waarlangs lijnen worden getrokken;

— zware lat;
— ijzeren staaf;
— reeks woorden, naast elkander geschreven, gezet of gedrukt: nog een paar regels schrijven; op die bladzijde staan 30 regels; de vierde regel v. o. (van onderen); een regel overslaan; op een nieuwen regel beginnen; de groote regels (grooter gedrukt) zijn voor den eersten leerkring, de kleine regels (kleiner gedrukt) voor den tweeden;
— tusschen de regels doorlezen, begrijpen en verstaan, wat niet uitdrukkelijk gezegd is;
— je moet tusschen de regels door kunnen lezen, de beweegredenen zien waarom men zoo handelt;
— schrijf mij een paar regels; een regeltje of wat, een klein briefje;
— lange regel korte regel, een kinderspel, waarbij een aantal kinderen naast elkander gearmd zich zingend voortbewegen en de geheele breedte der straat trachten te beslaan;
— waarnaar men zich richt, richten kan of te richten heeft, wat blijkens de ervaring gewoonlijk geschiedt : geen regel zonder uitzondering; de uitzonderingen bevestigen den regel; in den regel komt hij te laat, gewoonlijk;
— het is een vaste regel, gebruik;
—ik houd van vaste regelen, beginselen, gewoonten;
— in dat gezin heerscht geen regel, alles gaat er onordelijk toe;
— grondslag, maatstaf, voorbeeld, model: een regel volgen, toepassen voorschrijven; zich aan geen regels storen; iets tot regel nemen; een gulden regel, eene wijze vermaning, een goede raad;
— bepaling, voorschrift, waarnaar men zich richten moet; de regels voor de spelling, voor de geslachten, van het kaartspel;
— de vier hoofdregels der rekenkunde, optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en deelen;
— kettingregel, zie aldaar;
— den regel van drieën opzetten, zie DRIE;
— iem. den regel van drieën voorschrijven, hem nauwkeurig zeggen, waar het op staat;
— kerkvoorschrift, inz. de derde regel van de orde van Sint Franciscus, die gemaakt is voor personen, die in de wereld leven: in den regel zijn; hij is ook van den regel;
— menstruatie: dat meisje heeft de regels nog niet, bij haar is de puberteit nog niet ingetreden; het uitblijven der regels is geen vast teeken van zwangerschap;
— zij heeft zwaar, erg de regels, raakt bij de maandelijksche vloeiing veel bloed kwijt;
— zij heeft de regels maar twee dagen, de menstruatie duurt bij haar maar twee dagen. REGELTJE, o. (-s).