Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 22-11-2018

2018-11-22

Raar

betekenis & definitie

Raar bn. bw. (-der, -st), zeldzaam, zonderling, vreemd, wonderlijk;

— het is een rare kerel, een zonderling, iemand met veel eigenaardigheden;
— dat is een raar ding, dat is een moeilijk geval;
— hij kan soms zoo raar doen, zich zoo vreemd gedragen, zoo zonderling aanstellen, (ook) net doen alsof hij krankzinnig is;
— doe nu niet zoo raar, handel en spreek nu eens verstandig;
— hij deed zoo raar, ik geloof dat hij niet veel goeds in den zin had;
— daar zul je raar van opkijken. rare oogen van opzeilen, dat zult ge niet verwacht hebben (meest in onaangenamen zin);
— (gew.) ik word zoo raar, misselijk en duizelig, alsof men zijn bewustzijn zal verliezen;
— daar is niet veel raars aan, geene aardigheid aan.