Gepubliceerd op 22-11-2018

Puntig

betekenis & definitie

Puntig bn. bw. (-er, -st), voorzien van eene punt: een puntige paal; iets puntig bijsnijden;

— puntig toeloopen, in eene punt uitloopen;
— (plantk.) puntige bladeren, spits uitloopende;
— (fig.) snedig, scherp, hekelend : een puntig antwoord, gezegde;
— hij is puntig, hij is geestig; (ook) hij is scherp;
— iets puntig zeggen; een puntige stijl, beknopt, bondig; (ook) geestig, scherp;
— net, propertjes: eene puntige vrouw.
PUNTIGHEID, v. (...heden).

< >